Afdrukken

Rekenen:

De geleerde symbolen, notatiewijzen en conventies in verband met bewerkingen met getallen en volgende termen gebruiken, benoemen, noteren en correct gebruiken:‘term(en)’, aftrektal, aftrekker, factor(en), vermenigvuldiger, vermenigvuldigtal, deeltal, deler
Ervaren en toepassen dat de plaats van de termen/factoren: geen invloed heeft op het product en gebruik maken van de term ‘van plaats verwisselen’ (commutativiteit).
Ervaren en toepassen dat de plaats van de termen/factoren: wel invloed heeft op het quotiënt.
Ervaren en toepassen dat: bij een vermenigvuldiging de factoren gesplitst kunnen worden in een som of een verschil zonder dat het resultaat verandert en daarbij gebruik maken van de term ‘splitsen en verdelen’; bij een deling alleen het deeltal gesplitst kan worden in een som of een verschil zonder dat het resultaat verandert en daarbij gebruik maken van de term ‘splitsen en verdelen’.
Inzicht hebben in de relaties tussen de bewerkingen: aftrekking en deling.
Bij eenvoudige optellingen (1) flexibel een doelmatige oplossingsmethode kiezen op  basis van inzicht in de structuur van de getallen en in de eigenschappen van:
* de optelling en de optellingen correct uitvoeren, verwoorden en noteren: som kleiner of gelijk aan 100.
* de aftrekking en de aftrekkingen correct uitvoeren, verwoorden en noteren: aftrektal kleiner of gelijk aan 100.
Weten dat de vermenigvuldiger links wordt geschreven.
"Bij vermenigvuldigingen naar analogie met de vermenigvuldigingstafels (1) en buiten de vermenigvuldigingstafels (2) flexibel een doelmatige oplossingsmethode kiezen op basis van inzicht in de structuur van de getallen en in de eigenschappen van de  vermenigvuldiging; die vermenigvuldigingen correct uitvoeren, verwoorden en noteren."
"Vermenigvuldigen met 10; 100" ;"Delen door 10; 100"
De delingstafels die horen bij de vermenigvuldigingstafels tot en met 10 paraat kennen.
"Bij eenvoudige delingen (1) flexibel een doelmatige oplossingsmethode kiezen op basis van inzicht in de structuur van de getallen en in de eigenschappen van de deling;  die delingen correct uitvoeren, verwoorden en noteren:
* bij opgaande delingen naar analogie met de delingstafels (2) en buiten de delingstafels (3)"
* bij niet-opgaande delingen van het type deeltal is kleiner of gelijk aan 100 en de deler en het quotiënt is kleiner of gelijk aan 10 (2)"
Een breuk met noemer kleiner dan of gelijk aan tien nemen van een grootheid en van een hoeveelheid. Een breuk met noemer meestal kleiner dan of gelijk aan tien nemen van een getal.Breuken interpreteren en gebruiken als operator.Breuken lezen en schrijven.Gebruik maken van de termen breuk, teller, noemer, breukstreep.

Schattend rekenen om de uitkomst van een berekening bij benadering te bepalen.
Maximum vijf natuurlijke getallen optellen ; Aftrekken met natuurlijke getallen ; Het product berekenen van een natuurlijk getal met een natuurlijk getal kleiner dan 10 ; Een natuurlijk getal delen door een natuurlijk getal kleiner dan 10 tot op 1 nauwkeurig.
De procedures om te cijferen (cijferalgoritmes) begrijpen, mede op basis van inzicht in de tientalligheid en het plaatswaardesysteem van ons talstelsel.De uitgevoerde bewerkingen controleren door de uitkomsten van de bewerkingen te vergelijken met de schatting.
Een natuurlijk getal interpreteren en gebruiken als een code.De natuurlijke getallen lezen en schrijven tot 1000 en gebruik maken van de termen en de symbolen: duizendtal (D).
Kommagetallen met hoogstens 2 decimalen lezen om geldwaarden in Euro te begrijpen.
De relatieve grootte van getallen inschatten.Getallen afronden.Orde, regelmaat, verbanden, patronen en structuren tussen en met getallen opsporen, onderzoeken, ontdekken  en zelf voorbeelden bedenken.
In diverse situaties de geleerde symbolen, terminologie, notatiewijzen en conventies in verband met getallen correct gebruiken.
Een passende standaardmaateenheid kiezen.Met de gekende standaardmaateenheden in betekenisvolle situaties herleidingen uitvoeren tussen de hoofdeenheid en de afgeleide eenheden.Met de gekende standaardmaateenheden in betekenisvolle situaties herleidingen uitvoeren tussen frequent gebruikte maateenheden.Weten dat het resultaat van een lengtemeting uitgedrukt kan worden in meter of daarvan afgeleide maateenheden en daarbij de termen diepte, omtrek en afstand gebruiken.
Het metriek stelsel in verband met:
* lengte opbouwen en daarbij volgende maateenheden en hun symbolen lezen en gebruiken : de decimeter (dm)*met * gewichten opbouwen, en daarbij volgende maateenheden lezen en gebruiken: het gram (g)
Ervaren en inzien dat het gewicht van dingen niet enkel bepaald wordt door het volume.
Volgende termen gebruiken : eergisteren, overmorgen ....; het aantal dagen van de maanden kennen.

Taal:

Niet-talige/talige boodschappen waarnemen, decoderen,verwerken, begrijpen en interpreteren. De rol van de zender, het wat van de boodschap, het waarover van de boodschap, de rol van de ontvanger, de bedoeling, de manier van communiceren, omstandigheden en situatie, weg en middelen, het effect begrijpen en interpreteren.
Boodschappen verwerken: beoordelen en integreren.  Boodschappen beoordelen en verwerken.  Talige boodschappen beoordelen.  In onder meer
* verschillende voor de leerlingen bestemde brieven of uitnodigingen, reclameteksten die direct verband houden met hun leefwereld de informatie beoordelen en verwerken, op basis van, hetzij de eigen mening, hetzij informatie uit andere bronnen.
* voor de leerlingen bestemde mededelingen over het school- en klasgebeuren, radio-uitzendingen, uiteenzettingen of instructies van medeleerlingen, bestemd voor de leerkracht, telefoongesprekken informatie herkennen en achterhalen. Uiteenzettingen of instructies voor een buitenschoolse situatie.
* voor de leerlingen bestemde informatieve tv-uitzendingen informatie afleiden, interpreteren en op een persoonlijke en overzichtelijke wijze ordenen.
Communicatieve vaardigheden ontwikkelen en beheersen.  Belang en functie van visuele en geschreven boodschappen ervaren en beseffen.Verschillen en overeenkomsten tussen schrijf-leessituaties en spreek-luistersituaties ervaren en beseffen.De componenten van het schrijftelijk communicatieproces ervaren en beseffen.Voor kinderen relevante tekstsoorten leren kennen en gebruiken.Ervaren en beseffen dat de kwaliteit van visuele boodschappen en van teksten verbeterd kan worden door er met anderen over te spreken.
Standaardnederlands spreken, gepaste taalregisters hanteren.  Zoveel mogelijk het Standaardnederlands hanteren, ondersteund door volwassenen. Zo zelfstandig mogelijk het Standaardnederlands hanteren volgens de situatie.
Taalhandelingen ontwikkelen. Voor leerlingen bestemde zakelijke mededelingen en opdrachten herformuleren.Voor leerlingen bestemde verhalen vertellen op begrijpelijke wijze. Beschrijven hoe iemand of iets eruitziet volgens kleur, vorm, grootte of een specifieke eigenschap. Gerichte vragen beantwoorden in verband met betekenis, inhoud, bedoeling, mening enzovoort in concrete situaties. Vragen van de leerkracht beantwoorden in verband met een behandeld onderwerp.Vragen van medeleerlingen beantwoorden. Reageren in gesprekken met eenvoudige, maar relevante vragen of met commentaar. Vragen stellen die de gewenste of ontbrekende informatie leveren.De hulp of de medewerking van anderen inroepen. Vragen kunnen en durven stellen aan de leerkracht. Vragen stellen bij een behandeld onderwerp, die begrepen en beantwoord kunnen worden door leeftijdgenoten.  Uitleggen hoe in een activiteit gewerkt zal worden of gewerkt werd. Eenvoudige problemen, gebruiksregels, spelregels, aanpakwijzen uitleggen en verklaren aan leeftijdgenoten en aan de leerkracht. Opdrachten en problemen voor anderen formuleren en instructies geven, zodat iemand die vertrouwd is met de situatie, ze kan uitvoeren.
Communicatieve conventies hanteren, gesprekken voeren en gespreksregels respecteren.Deelnemen aan gesprekjes in de kring onder leiding van de leerkracht, in groepjes van leeftijdgenoten. In een gesprek, een discussie met leeftijdgenoten uitkomen voor zijn mening, zijn mening geven. Deelnemen aan allerlei soorten van gesprekken en dramatische werkvormen.
Spreken over belevenissen, ervaringen, waarnemingen, gebeurtenissen uit de eigen omgeving of over boodschappen van anderen uit de ruimere omgeving. Over voorstellingen en situaties uit de fantasie. Spreken over wensen, ze kenbaar maken en rechtvaardigen. Verslag uitbrengen aan leeftijdgenoten en aan de leerkracht. Over zichzelf informatie verschaffen aan leeftijdsgenoten.  Een interpretatie brengen van een behandeld onderwerp of een beleefd voorval, die begrepen wordt door leeftijgenoten. Spreken over gevoelens zoals blijheid, angst, verdriet, verwondering, eigen gevoelens verwoorden.Bereid zijn eigen gevoelens en verlangens op een persoonlijke manier uit te drukken.
Schrijfstrategische vaardigheden ontwikkelen.  Noodzaak en nut van schrijfstrategieën en van de aspecten daarvan ervaren en beseffen: verzamelen, selecteren, ordenen, uitschrijven, verzorgen.Een schrijfstrategie bepalen en volgen om visuele en schriftelijke boodschappen vorm te geven. Materiaal verzamelen, selecteren, ordenen. Teksten uitschrijven, rekening houdend met de afstand en met het verwerkingsniveau. Teksten verzorgen, nalezen, herwerken.
Taalvaardigheden en taalbeschouwelijke vaardigheden ontwikkelen.  Het belang van Algemeen Nederlands als schrijftaal beseffen. Elementen van de taalsystematiek die van belang zijn voor het leren spellen en/of schrijven correct aanwenden en erover reflecteren.
Taalbeschouwelijke vaardigheden ontwikkelen. Tekstsoort en teksttype bepalen. De manier van lezen afstemmen op het doel: informatie zoeken, ontspannen, studeren, beoordelen ... De manier van luisteren afstemmen op het doel: selectief luisteren, ontspannen, beoordelen ...
Om de aandacht voor het doel te behouden het thema van de tekst zoeken
Om de aandacht voor het doel te behouden gericht informatie zoeken in de luister- of leestekest.
Om te begrijpen wat ze horen of lezen relaties leggen met de eigen voorkennis.
Om te begrijpen wat ze horen of lezen moeilijke passages herlezen of herbeluisteren en controleren.
Om te begrijpen wat ze horen of lezen vragen durven stellen of de hulp inroepen van anderen.
Om te begrijpen wat ze horen of lezen antwoorden formuleren op hun eigen vragen of die van de leerkracht in verband met betekenis, inhoud, bedoeling, mening ...
Materiaal verzamelen in functie van het spreek- of schrijfdoel en in functie van de luisteraar of de lezer door het stellen van vragen, het oproepen van de voorkennis en de eigen ervaringen, prenten en afbeeldingen te gebruiken, door iets op te zoeken, door iets te lezen...
Materiaal selecteren en ordenen in functie van het spreek- of schrijfdoel en in functie van de luisteraar of de lezer. De inhoud (samenhang, duidelijkheid, overlapping ...) van wat ze zeggen of schrijven beoordelen en eventueel verbeteren.
Het alfabet kennen en daarbij de term 'alfabet' gebruiken.Alfabetisch rangschikken op de eerste letter.

Muzische:

Muzische:

Een vorm zodanig versieren dat het karakter ervan wordt versterkt. Beseffen dat de vorm in relatie staat met de functie ‘stileren’.
Genieten van de fantasie, de originaliteit, de creativiteit en de zelfexpressie in ‘kunstwerken’.
Allerlei sociale situaties spelen.
Situaties uit het dagelijks leven die aanleiding geven tot dramatisch spel, kritisch bekijken en beluisteren.
Willen kennis maken met de wereld van de kunst. Genieten van een kunstzinnige expressie of een kunstwerk. Over kunst communiceren. Ervaren dat het schoonheidsbeleven of de smaak van mensen verschilt.

Wero:

Kinderen zien in dat mensen allerlei beroepen uitoefenen en tonen respect voor elk beroep. Dat houdt in dat ze kunnen illustreren dat beroepen vaardigheden vereisen die niet noodzakelijk aan een geslacht gebonden zijn.
Kinderen ontwikkelen een genuanceerde kijk op hun eigen gevoelens en gaan er op een adequate wijze mee om.  Dat houdt in dat ze kunnen beschrijven wat ze voelen en wat ze doen in een concrete situatie.
Kinderen kunnen plaatsen en gebeurtenissen waar ze kennis mee maken vlot op een passende kaart of plattegrond terugvinden.  Dat houdt in dat ze een voorstelling in hun hoofd hebben van een aantal plattegronden en kaarten zodat ze in een praktische toepassingssituatie op de kaart van de eigen provincie vlot de eigen gemeente, de buurgemeenten, de provinciehoofdstad en enkele andere belangrijke plaatsen kunnen situeren.Kinderen kunnen een te volgen reisweg uitstippelen, aan elkaar beschrijven en de afstand ervan berekenen.  Dat houdt in dat ze de te volgen weg tussen twee plaatsen in de eigen omgeving kunnen beschrijven en aanduiden op een plattegrond.
Kinderen ontdekken dat groepen van mensen in een land van een ander cultuurgebied op een andere manier samenleven.  Dat houdt in dat ze vaststellen dat  mensen met een andere levenswijze als zijzelf, waarden en normen bezitten die soms verschillen maar vaak ook gelijk zijn aan de onze.
Kinderen zien in dat courante producten gemaakt zijn uit welbepaalde materialen en/of grondstoffen.  Dat houdt in dat ze ervaren en uiten uit welke materialen en/of grondstoffen allerlei voorwerpen gemaakt zijn.
Kinderen zien in dat in hun omgeving verschillende informatieverwerkende toestellen voorkomen, waarvan ze zelf enkel kunnen instellen en/of bedienen.  Dat houdt in dat ze diverse voorbeelden kunnen geven en bedienen van informatieverwerkende toestellen zoals een alarmsysteem, machines die automatisch in werking treden, pc’s, ...
Kinderen kunnen de tijd die ze nodig hebben voor een voor hen bekende bezigheid, realistisch inschatten.  Dat houdt in dat ze kunnen voorspellen hoelang ze aan een taak of opdracht (bv. informatie opzoeken), een huistaak, een toets, ... zullen werken.
Kinderen ervaren en uiten dat hun leven een opeenvolging van gebeurtenissen is.  Dat houdt in dat ze basisbegrippen en courante aanduidingen in verband met de dagelijkse tijd in hun juiste betekenis gebruiken.  Begrippen als dinsdag van vorige week, verleden zondag, veertien dagen geleden, voor twee weken, over tien dagen, de namen van de seizoenen, de namen van de maanden.
Kinderen kunnen vaardig omgaan met verschillende kalenders.  Dat houdt in dat ze een kalender kunnen gebruiken om gebeurtenissen uit het eigen leven in de tijd te situeren.
Kinderen kunnen de eeuwenband en een tijdband van de grote perioden in de Europese geschiedenis functioneel gebruiken.  Dat houdt in dat ze op de eeuwenband of tijdband een aantal belangrijke economische en sociale samenlevingsvormen, gebeurtenissen, objecten, figuren, gebouwen, fenomenen, ... kunnen situeren, onder andere duidelijke historische elementen uit hun omgeving.
Kinderen zien in dat mensen, dieren, planten, objecten, opvattingen, structuren, ... evolueren in de tijd.  Dat houdt in dat ze met voorbeelden kunnen aantonen dat dieren en planten evolueren in de tijd.
Kinderen zijn nieuwsgierig naar de historische ontwikkeling van planten, dieren, mensen, voorwerpen, systemen, actuele toestanden.  Dat houdt in dat ze vragen stellen bij en actief op zoek gaan naar de voorgeschiedenis van hedendaagse fenomenen als ontspanning en vrije tijd, arbeid, speelgoed, communicatie, samenlevingsvormen, feesten, woningbouw, ...
Kinderen kunnen nauwkeurig waarnemen met al hun zintuigen. Dat houdt in dat ze gericht observeren in functie van een vraag.
Kinderen kunnen kwalitatief en kantitatief vergelijken. Dat houdt in dat ze eigen werkwijzen vergelijken met andere werkwijzen en daarover een oordeel kunnen geven.
Kinderen kunnen informatiebronnen op een doeltreffende manier hanteren. Dat houdt in dat ze bij het zoeken naar informatie doeltreffend gebruik kunnen maken van catalogi, (alfabetische) registers, trefwoordenlijsten en inhoudstabellen.
Kinderen kunnen informatie ordenen, rubriceren, classificeren. Dat houdt in dat ze kunnen ordenen op basis van minstens één criterium.