Rekenen:

Eenvoudige situaties omzetten in formules met natuurlijke getallen, breuken, percenten en kommagetallen, en omgekeerd (van formule naar situatie) door: bewerkingen handelend uit te voeren en die te verwoorden en daarbij gebruik te maken van termen als vermenigvuldigen, delen, ...

De geleerde symbolen, notatiewijzen en conventies in verband met bewerkingen met getallen en
* volgende termen gebruiken: vermenigvuldiging, maal- of vermenigvuldigingsteken, product, deling, deelteken, quotiënt en rest ; bewerking
* volgende symbolen benoemen, noteren en correct gebruiken: x, :

Ervaren en toepassen dat de plaats van de termen/factoren: geen invloed heeft op de som en gebruik maken van de term ‘van plaats verwisselen’ (commutativiteit) ; wel invloed heeft op het verschil ; worden samengenomen en dat dus de plaats van de haakjes: geen invloed heeft op de som en gebruik maken van de term ‘schakelen’ (associativiteit) ; worden samengenomen en dat dus de plaats van de haakjes: wel invloed heeft op het verschil.

Inzicht hebben in de relaties tussen de bewerkingen: optelling en aftrekken, vermenigvuldiging en deling.

De correcte resultaten bij de elementaire optellingen paraat kennen: de som is kleiner of gelijk aan 20.

Optellen volgens standaardprocedures en de optelling verwoorden en noteren: som kleiner of gelijk aan 100.
* Zonder brug.  T + T, T + E, TE + E = TE, T E + E = T / H, T  + TE = T E, TE  + TE= TE, TE  + TE = T  / H
* Met  brug.  TE  + E = TE, TE  + TE = TE

Bij eenvoudige optellingen flexibel een doelmatige oplossingsmethode kiezen op  basis van inzicht in de structuur van de getallen en in de eigenschappen van de optelling en de optellingen/de aftrekking en de aftrekkingen correct uitvoeren, verwoorden en noteren: som kleiner of gelijk aan 20.

De correcte resultaten bij de elementaire aftrekkingen paraat kennen: aftrektal kleiner of gelijk aan 20, aftrekker kleiner of gelijk aan 10.

Aftrekken volgens standaardprocedures en de aftrekking verwoorden en noteren: aftrektal kleiner of gelijk aan 100. Zonder brug. T - T, TE - E = T, TE - T = E, TE - E = TE, H / T - E = TE, TE - TE = T, TE - T = TE, TE - TE = TE, TE - TE = E, T - TE = TE, T - TE = E, TE - E = TE, TE - TE = TE.

Weten dat de begrippen en de termen ‘verdubbelen’ en ‘het dubbele nemen’ van hoeveelheden hetzelfde betekenen als vermenigvuldigen met 2 en ze correct gebruiken.

De vermenigvuldigingstafels tot en met 10 paraat kennen.

Weten dat de begrippen en termen ‘halveren’ en ‘de helft nemen van’ hetzelfde betekenen als delen door 2 en ze correct gebruiken.

Enkelvoudige vraagstukken oplossen over vermenigvuldigen en delen in verschillende situaties met natuurlijke getallen.

Gestructureerde en ongestructureerde aantallen vergelijken en sorteren, en de vergelijking verwoorden met de termen: x meer dan y, x minder dan y.

Inzicht verwerven in de tientalligheid en het plaatswaardesysteem van ons talstelsel.

De natuurlijke getallen lezen en schrijven tot 100 en gebruik maken van de termen en de symbolen: eenheid (E) en tiental (T), honderdtal (H).

De natuurlijke getallen (her)structureren om vlot bewerkingen uit te voeren en de (her)structureringen paraat kennen van getallen > 10 waar wenselijk.

Breuken interpreteren en gebruiken en ze herkennen in de omgangstaal.

In diverse situaties de geleerde symbolen, terminologie, notatiewijzen en conventies in verband met getallen correct gebruiken.

Resultaten van metingen en berekeningen lezen en noteren (1) met  meer dan één maateenheid.

Weten dat het resultaat van een lengtemeting uitgedrukt kan worden in meter of daarvan afgeleide maateenheden en daarbij de termen lengte, breedte, hoogte en dikte gebruiken.

Het metriek stelsel in verband met lengte opbouwen en daarbij volgende maateenheden en hun symbolen lezen en gebruiken : de centimeter (cm).

Een lengte (breedte, dikte, afstand, ....) meten en afmeten bij voorwerpen en lijnstukken.

Volgende termen gebruiken : vandaag, gisteren, morgen, de maanden van het jaar, ...

De datum lezen en noteren : voluit

Leren leren/sociale vaardigheden: zie doelen 1e leerjaar

Taal:

Niet-talige/talige boodschappen waarnemen, decoderen, begrijpen en interpreteren. De rol van de zender, het wat van de boodschap, het waarover van de boodschap, de rol van de ontvanger, de bedoeling, de manier van communiceren, omstandigheden en situatie, het effect begrijpen en interpreteren.

Hoofdletters : Het eerste woord van een zin.  Namen schrijven: De eigen naam. Termen die kinderen moeten kennen en kunnen gebruiken : klinkers, medeklinkers, de komma, de dubbele punt, hoofdletter.

Communicatieve vaardigheden ontwikkelen.  Belang en functie van visuele en geschreven boodschappen ervaren en beseffen. Verschillen en overeenkomsten tussen schrijf-leessituaties en spreek-luistersituaties ervaren en beseffen. Ervaren en beseffen dat de kwaliteit van visuele boodschappen en van teksten verbeterd kan worden door er met anderen over te spreken.

Schrijfstrategische vaardigheden ontwikkelen.  Een schrijfstrategie bepalen en volgen om visuele en schriftelijke boodschappen vorm te geven. Materiaal verzamelen selecteren en ordenen. Teksten uitschrijven, rekening houdend met de afstand en met het verwerkingsniveau.

 Communicatieve vaardigheden ontwikkelen en beheersen. Standaardnederlands spreken, gepaste taalregisters hanteren.  Zoveel mogelijk het Standaardnederlands hanteren, ondersteund door volwassenen.
Taalhandelingen ontwikkelen.  Voor leerlingen bestemde zakelijke mededelingen en opdrachten herformuleren. Spreken over belevenissen, ervaringen, waarnemingen, gebeurtenissen uit de eigen omgeving of over boodschappen van anderen. Spreken over voorstellingen en situaties uit de fantasie. Spreken over wensen, ze kenbaar maken en rechtvaardigen. Over zichzelf informatie verschaffen aan leeftijdsgenoten. Spreken over gevoelens zoals blijheid, angst, verdriet, verwondering, eigen gevoelens verwoorden. Bereid zijn eigen gevoelens en verlangens op een persoonlijke manier uit te drukken. Beschrijven hoe iemand of iets eruitziet volgens kleur, vorm, grootte of een specifieke eigenschap. Gerichte vragen beantwoorden in verband met betekenis, inhoud, bedoeling, mening enzovoort in concrete situaties. Vragen van de leerkracht beantwoorden in verband met een behandeld onderwerp. Vragen van medeleerlingen beantwoorden. Reageren in gesprekken met eenvoudige, maar relevante vragen of met commentaar. Vragen stellen die de gewenste of ontbrekende informatie leveren. De hulp of de medewerking van anderen inroepen. Vragen kunnen en durven stellen aan de leerkracht. Vragen stellen bij een behandeld onderwerp, die begrepen en beantwoord kunnen worden door leeftijdgenoten. Uitleggen hoe in een activiteit gewerkt zal worden of gewerkt werd.
Communicatieve conventies hanteren, gesprekken voeren en gespreksregels respecteren.  Communicatieve conventies hanteren. Deelnemen aan gesprekjes in de kring onder leiding van de leerkracht, in groepjes van leeftijdgenoten en aan allerlei soorten van gesprekken en dramatische werkvormen.

Communicatieve vaardigheden ontwikkelen en beheersen.  Communicatieve conventies hanteren, gesprekken voeren en gespreksregels respecteren.  Gespreksregels respecteren. Expressief, muzisch spreken.  Zich inleven in duidelijk herkenbare rollen en situaties en vanuit de eigen verbeelding en beleving daarop inspelen. Een boodschap overbrengen ondersteund met lichaamstaal.

Taalbeschouwelijke vaardigheden ontwikkelen. Om te begrijpen wat ze horen of lezen vragen durven stellen of de hulp inroepen van anderen. Een zin herkennen ook als het een verkorte zin is. De term 'zin' gebruiken. Nadenken over een bladzijde en een regel in een tekst en daarbij de termen 'bladzijde' en 'regel'. Nadenken over de samenhang tussen woorden en de objecten, handelingen en kenmerken waarnaar ze verwijzen. Verschillen en gelijkenissen ontdekken tussen geschreven letters onderling en tussen geschreven en gedrukte letters. Nadenken over het gebruik van hoofdletters en kleine letters en daarbij de termen 'kleine letter' en 'hoofdletter' gebruiken. Nadenken over het gebruik van leestekens in de zin en daarbij de termen 'komma' en 'dubbelpunt' gebruiken.

Muzische:

De oppervlakte van het tekenpapier functioneel aanwenden.

Verbale en non-verbale spelvormen toepassen of improviseren. Allerlei sociale situaties spelen. Durven improviseren door in te spelen op onvoorziene situaties.

Willen kennis maken met de wereld van de kunst. Genieten van een kunstzinnige expressie of een kunstwerk. Over kunst communiceren. Ervaren dat het schoonheidsbeleven of de smaak van mensen verschilt. Over kunstzinnige expressies een oordeel geven.

Wero:

Kinderen zien in hoe je verantwoord omgaat met geld.  Dat houdt in dat ze geld functioneel kunnen gebruiken in praktische toepassingssituaties. Kinderen kunnen een ruimte aangenaam en functioneel helpen inrichten.  Dat houdt in dat ze suggesties kunnen geven om een ruimte in te richten.

Kinderen ervaren en uiten dat hun leven een opeenvolging van gebeurtenissen is.  Dat houdt in dat ze basisbegrippen en courante aanduidingen in verband met de dagelijkse tijd in hun juiste betekenis gebruiken.  Begrippen als vroeger, later, nu, ochtend, voormiddag, middag, namiddag, avond, nacht, de namen van de weekdagen, eergisteren, overmorgen ; nog vroeger, nog later, eerst, dan, daarna, laatst.

Kinderen kunnen nauwkeurig waarnemen met al hun zintuigen. Dat houdt in dat ze luisteren, zien, voelen, proeven, ruiken.